El mar cura

Eén van de grootste bronnen van rijkdom in mijn leven is het feit dat ik de protegé van F. ben. Of eigenlijk een combinatie van leerling, dochter, volgeling en opvolger. Het doet me denken aan oude Griekse geleerden die urenlang met leerlingen worstelen over theoretische kwesties. Ergens in een klein kamertje vol wijsheid. En die lange wandelingen maken, onder een zon die net niet te sterk is, en praten over het leven; leren over het leven.

Zoals op die zondagochtend toen we naar een klein dorpje aan zee gingen. We waren vroeg; bij de familierestaurantjes langs de kustlijn werden de parasols en de stoelen nog buiten gezet. Zoons die op blote voeten en met een klein zwart schortje voor door het zand ploeteren. Ze zijn het gewend, hun gespierde kuiten getuigen ervan. Hun zusters bereiden ondertussen het ontbijt voor. Nee, we kunnen nog niet eten, maar ja, we kunnen wel alvast gaan zitten. Vader en zoon slepen snel drie stoelen en een parasol naar wat het beste plekje zou moeten zijn.

De zee is hier tegelijkertijd heel blauw en heel groen. Ze beweegt niet. De lucht is vlekkeloos. En ook stil. Ze lijken zich tot in het oneindige uit te strekken. Als we daar zo staan, voorzichtig met onze voeten de temperatuur van het water peilend, lijkt het of we op het uiteinde van de wereld balanceren. Voor ons alleen oneindig blauw en groen. Achter ons haar man die alvast de menukaart bestudeerd (hij is eigenlijk op dieet maar mag op zondag eten wat hij wil). “El mar cura” zegt ze terwijl we voorzichtig de zee in waggelen. Het water komt nu tot onze navel en daar blijven we staan. De zee heelt.

Ik weet waar ze het over heeft; het geweldincident dat haar bijna haar leven koste en ze naar dit uiterste puntje van de wereld deed vluchten.

Ze vertelt over hoe haar leven was toen ze zo oud was als ik nu ben. Over haar worsteling om iets van wijsheid aan de wereld toe te voegen. Over haar jaren in Europa. En over hoe ze op de valreep, vlak voor ze weer naar Mexico ging, haar man ontmoete. Op een zaterdagavond die zich tot in de zondagochtend  had uitgestrekt. In een donkere kroeg, in een smalle steeg in Lissabon. “Jij wordt mijn vrouw” waren de eerste woorden die hij tegen haar zei. Er volgde een gesprek in een moeizame combinatie van Spaans, Frans, Portugees en Engels. En een nacht in een goedkoop hotel. Hij had lang donker haar en een slank en gespierd lichaam zei ze. “Gracias a dios por este hombre” zei ze. Ik keek achterom. De kordate Portugees uit haar verhaal worstelt nu met zijn plastic strandstoel. Haalt een petje uit zijn tas om zijn grijze hoofd te beschermen tegen de zon. Hij wenkt de ober om alvast een voorproefje op het ontbijt te nemen. Zuigt limonade door een rietje. Hij is er nog steeds. Door hoog en laag, door dik en dun. Over verschillende continenten is hij bij haar gebleven. Gracias a dios por este hombre.

We blijven zo nog een lange tijd staan. Uitkijkend over het oneindige en terugkijkend op grote levenslessen.

Dat vogeltje

Deze week hoorde ik iets dat ik zes jaar niet gehoord had. Een geluid dat langzaam uit mijn bewustzijn verdwenen was. Maar ik herkende het meteen. Zoals het lichaam van en Nederlander een fiets herkent: Het maakt niet uit hoe lang het geleden is.

Ik hoorde het geluid van het vogeltje dat de lente aankondigt.

Ik keek naar mijn hond uit Acapulco die dit jaar voor het eerst de vier seizoenen meemaakt. Haar leven is tot nu toe één langgerekte, iets te hete zomerdag geweest. Ze heeft zich er zuchtend en steunend doorheen geworsteld. Kort geleden kwam de brute overgang naar de winter: kou, regen, wind.

Ze keek naar me op, maar had het niet gehoord. Misschien wel gehoord, maar niet herkend als het geluid van het vogeltje dat de lente aankondigt. Weet zij veel. Ze denkt dat de rest van haar leven één langgerekte, donkere winterdag zal zijn. Met haar hoofd in de wind. Met haar natte vacht weer op haar matje voor de verwarming. Het maakt haar niet uit. Amsterdam heeft ook veel goede kanten.

Ik probeerde het, maar kon haar niet uitleggen hoe ik weet dat het vogeltje deze keer anders zong. Ik weet het gewoon. Heb het geleerd zonder dat iemand me onderwezen heeft. En zonder dat ik ervoor gestudeerd heb. Ik heb het geleerd zoals je de meest belangrijke dingen leert: terwijl ik druk bezig was met iets anders.

Zo begon ik vier jaar geleden hard op iets te studeren. Aan de andere kant van die vier jaar kom ik erachter dat ik heel andere dingen aan het leren was. Die kennis is er dan gewoon.

Zoals dat vogeltje.

In dat Amsterdam, daar wil ik zijn

Toen –ruim twee weken geleden- mijn vliegtuig in de Haarlemmermeerpolder lande dacht dat we nog kilometers hoog boven de aarde zweefden. Ik voelde een schok: “Turbulentie” dacht ik, maar het vliegtuig stond alweer met twee wielen op de grond. Ik bleef achter. Ik bleef zweven. Ergens, hoog in de lucht. Ergens tussen Mexico-Stad en Amsterdam.

De pogingen die ik deed om weer in Nederland te zijn mislukten: De schoonheid van de laaghangende lucht zag ik niet en de frisheid van de zeewind voelde ik niet. De ingrediënten voor de erwtensoep bleven in de koelkast liggen. Toen ik vanochtend vroeg de deur opentrok keken ze me teleurgesteld aan: Ik had ze laten verpieteren. Ik wilde ze niet. Afzonderlijk misschien nog wel. Dan is een wortel gewoon een wortel. Een knolselderij een knolselderij. Bij elkaar, samen met de zak spliterwten uit het keukenkastje, werden ze Nederland. Zou ik ze koken en opeten, zou ik Nederland toelaten.

En ik wilde nog blijven zweven. Daar waar ik was: Als ik ver genoeg naar links keek kon ik Mexico-Stad nog zien: Haar zon, haar bergen, de taco-kraampjes in de straat. Zelfs naar die stinkende auto’s keek ik graag. Als ik ver genoeg naar rechts keek kon ik Amsterdam zien: Het Java eiland en de sprookjesachtig rokende fabriek aan de andere kant van het IJ. De grachtengordel. De bruinste kroegen. Het Centraal Station en de Passenger Terminal, waar weer een schrikbarend cruiseschip voor anker is gegaan.

Wat de erwtensoep niet lukte, lukte het licht wel. Gistermiddag om half zes. Ze zoog me naar beneden: Met twee benen op de grond, in Amsterdam, kijk ik naar het licht. Alsof het niet echt is, maar geschilderd door één van onze grootmeesters. Niet Vincent van Gogh, maar een fictieve die zelfs in februari Amsterdam een tropisch warme gloed kan geven. In dat Amsterdam, daar wil ik zijn.

Toen we de lichten in ons paradijs al lang geleden gedoofd hadden

Verwarmdheid. Ik heb het tegenovergestelde van verkoudheid; ik ben verwarmd.

Al dagen schuifelen we heen en weer tussen onze slaapkamer, de patio’s en de keuken, die open is en uitkijkt op de tuin, het strand en de oceaan. We roteren: van de ene hangmat naar de andere en van het hemelbed naar de keukentafel. We zijn veroordeeld tot een tropisch paradijs.

Ik met mijn twee mannen: die van mij en Juan Carlos, de opzichter. Een Spanjaard. De ene helft van het jaar runt hij een succesvol, internationaal bedrijf in Valencia, de andere helft woont hij hier, op deze berg in Zuid-Mexico. In de ochtend mediteert hij en doet aan yoga. s’Middags ziet hij erop toe dat alles goed gaat; hier in dit zo goed als verlaten huis. Een verantwoordelijkheid die hij lang geleden heeft overgenomen van de zoon van de eigenaar, nadat deze was verdwenen in de golven waar wij de hele dag naar luisteren.

Juan Carlos dweilt de vloer onder mijn hangmat terwijl ik observeer hoe het wespennest aan het plafond zich langzaam maar zeker uitbreidt en twee gekko’s elkaar achtervolgen op de buitenmuur van de keuken (waar maken ze ruzie over? Kunnen gekko’s elkaar slaan?). Bezorgd kijkt de opzichter op me neer terwijl hij op de dweil leunt. Of alles wel goed gaat? Of ik nog een kopje groene thee wil? Met honing? Met een voor het grootste gedeelte gespeeld zelfmedelijden kijk ik naar hem op en zeg: “Sí, por favor”.

Een paar keer per dag loop ik traag en moeizaam de trap op en ga ik in de andere hangmat liggen. Die bij de keuken ligt fijner en daar is het relatief koel, maar die bij de slaapkamer kijkt uit op de oceaan. En je hoort haar beter.

Mazunte

Slechts één kregen we te maken met de buitenwereld: Juan Carlos had ons net gevraagd of we een glas van zijn zelfgemaakte ananaswater wilden. “Boordevol vitaminen” zei hij, “jullie knappen er meteen van op”. Hij begrijpt dat ons leed gedeeld is. Gewoon, uit principe. We hielden onze glazen voor hem op toen het tuinhekje langzaam en voorzichtig krakend werd opengeduwd. Een rood aangelopen Amerikaanse kwam op ons af. “Hay lugar?” vroeg ze met een zwaar accent, waarop de opzichter haar de lege kamer liet zien. Ze legde uit: ze werkt aan de bevordering van biologische landbouwinitiatieven van Latino’s in Oregon. En ze is vanochtend vroeg opgestaan om hier ergens in de buurt een boom te planten. Het leek mij en mijn mannen dat er hier in de buurt geen gebrek aan bomen is, maar desalniettemin knikten we instemmend. Op dat moment werd het tuinhekje opnieuw opengeduwd, krachtiger dit keer en onder luid gekraak. Een Venezolaanse karatekampioen zocht een slaapplek. Aarzelend stemden we in. Er was nog wel een kamertje ergens aan de achterkant van het gebouw. Ze mochten wel blijven als ze beloofden het harmonieuze samenzijn tussen hem, mij en Juan Carlos niet te verstoren.

In zijn kamertje liet de karatekampioen zijn tas op de grond ploffen. De Amerikaanse at een sinaasappel die ze met de groots mogelijke nauwkeurigheid had geschild. Wij drieën keken toe; wachtten af; wanneer gaan ze weg? Ze vertrokken samen naar het strand en kwamen pas terug toen wij de lichten in ons paradijs allang geleden gedoofd hadden. s’Ochtends lagen er twee sleuteltjes op tafel. Of het iets geworden is weten we niet.

Ergens op het randje tussen tergend en ontzettend fijn

De keuken waarin we nu al dagen elke ochtend koffie zetten moeten we delen met vijf gekko’s en een slang. Vooral s’avonds –als we de vegetarische hippierestaurantjes afslaan en zelf een hapje koken, het is donker en er waait een fris briesje- verzamelen de dieren zich massaal in onze keuken.

Terwijl ik de linzen kook en de groenten grill hangt hij in de hangmat die zachtjes en krakend heen en weer schommelt. Het geluid komt net boven dat van de krekels uit. En dat van de radio van de buren waarop de tune van The Pink Panter op repeat staat.

Als dit tafereel zich in de ochtend afspeelt en we koffie zetten en papaya snijden, komt er af en toe een roofvogel overvliegen. Het is er eentje van de grote groep die zich boven de baai verzameld heeft en rondcirkelt. Hij vliegt laag over ons afdakje en lijkt ons aan te kijken. Vragend. Maar onze keuken is vegetarisch en we hebben niks voor hem.

De uren tikken langzaam weg. Het zou tergend langzaam zijn geweest als we basisschool kinderen waren met al vijf weken zomervakantie. Maar voor ons is dat langzame niet tergend. Net niet. Het is ergens op het randje tussen tergend en ontzettend fijn.

We praten over ons verleden, ons heden en onze toekomst en proberen op één lijn te komen. Om één, kloppend verhaal van ons leven te maken. Dat is niet zo makkelijk, maar wel de moeite waard.

 

Straks, als we aan het strand zijn

We hadden de keus tussen de twee stoelen naast de chauffeur of twee stoelen op de rij meteen achter hem. Het was een dilemma: naast hem betekent minder kans op misselijkheid en overgeven, achter hem dat we niet zoveel mee zullen krijgen van al die keren dat het inhalen op de smalle bochtige bergweggetjes maar net goed zal gaan.

De chauffeur van ons busje heet Teodulfo en lacht als een veertienjarige bakvis die geconfronteerd wordt met haar knappe buurjongen. Wij vinden het zielig dat hij vanavond die hele lange bergweg ook nog weer terug moet rijden, maar zelf lijkt hij wel plezier aan de rit te beleven. Zodra we van de snelweg af zijn draait hij zijn raampje helemaal naar beneden, steekt zijn arm uit het raam en probeert de wind te vangen. Het zonlicht vonkelt kort op zijn handen voor het onze ogen bereikt. Elke keer als we een ander busje tegenkomen knippert hij met zijn lichten –ik stel me voor dat het nauwelijks te zien is omdat het zonlicht zoveel feller is dan onze koplampen-, steekt hij zijn uithangende hand op en laat zijn schaterlach horen. Als we voorbij een openlucht wegrestaurant komen hangt hij met zijn volledige bovenlichaam uit het raam en roept: “Doña Natyyyy!” Naty roept iets terug dat onverstaanbaar is geworden omdat we alweer bezig zijn in een veel te hoge versnelling tegen een berg op te rijden. In het achteruitkijkspiegeltje zie ik dat Doña Naty alweer bezig is tortillas om te draaien.

De dorpjes die aan ons voorbijtrekken zijn niet meer dan een kort rijtje huizen; zonder mogelijkheid om uit te breiden tegen de steile bergruggen. De mensen leven er van landbouw op kleine ongelijke akkers en het verkopen van eten en souvenirs aan voorbijtrekkende reizigers. Een uitzondering vormt het dorpje met de wit-rode kerk op een ver uitstekende klif. Het heet “Schorpioen” en er lijkt redelijk wat leven te zijn.

In Soledad maken we een korte stop. De jongen die achter me zat stapt uit. Terwijl hij wacht tot Teodulfo zijn zwarte, rafelige sporttas van het dak heeft gehaald ziet hij pas dat het meisje op de voorste rij een heel mooi en lief uiterlijk heeft. Meteen verandert hij zijn pose. Quasi nonchalant leunt hij tegen een in felle kleuren geschilderde muur. Hij tilt één been op en zet deze tegen de muur achter hem. Zoals Mexicaanse jonge mannen dat doen als het moet lijken alsof er niks aan de hand is. Hij trekt de capuchon van zijn hoofd en zet zijn petje goed; met de voorklep goed gebold. Af en toe bespied hij het meisje, maar van waar ik zit kan ik niet goed zien of ze hem echt niet doorheeft of een afwachtende, stille houding aanneemt. Zoals Mexicaanse jonge vrouwen dat doen als het spel van de hofmakerij wordt gespeeld.

We rijden verder en Teodulfo wisselt de Mexicaanse volksmuziek over overspelige partners en gebroken harten in voor het nieuws: In Cuernavaca worden steeds meer toeristen slachtoffer van geweld. In Chihuahua is een politiek figuur neergeschoten. Hij ligt in het ziekenhuis, maar herstelt goed. Het wereldkampioenschap voetbal in Brazilië begint op 12 juni en is op 13 juli afgelopen. Er wordt ook een WK voetbal voor vrouwen onder de 20 gehouden en dat begint op 5 augustus en is op 25 augustus afgelopen.

In het dorpje dat “Uitzichtpunt” heet verschijnt plotseling een driftig zwaaiende man op de weg. Hij vraagt zich af of hij alvast vier kaartjes voor de terugreis kan reserveren. Achter hem staat een vrouw met lange vlechten op haar rug en twee kinderen op haar arm. Teodulfo zoekt via de radio contact met de verantwoordelijke op het busstation. “Xochitl, Xochitl, Xochitl!” Hij roept haar naam snel en vaak achter elkaar. Na vijf minuten van onderhandeling rijden we verder en zoekt Teodulfo opnieuw contact met Xochitl. “Negativo” is het enige dat hij haar mededeelt.

De begroeiing is langzaam veranderd van dorre, lege vlaktes met hier en daar een cactus, via dennenwoud naar weelderig groen met veel bananen- en papayabomen. Ik neem mij voor om van papaya snel weer eens jam te maken. Als we afdalen in het weelderige groen begint de zon al langzaam te zakken en beginnen de kleuren te veranderen. Je kunt je al voorstellen hoe de zonsondergang eruit zal zien; straks, als we aan het strand zijn.

Wat ik het liefst mee wil nemen

Toen ik zeventien was ging ik naar Amerika. Met twee grote koffers stond ik op Schiphol. Van mijn vriendin kreeg ik een 4-ever friends beertje. Mijn grote, stoere broer sloeg een arm om me heen. Voor het eerst in mijn leven had ik zo’n douane-moment.

In New York vroeg aan verschillende Amerikanen (“zulke aardige mensen!”) of ik wel echt in terminal 3 bij gate 4 zat.

Ik verbaasde me over de rode schuur bij het huis waar ik in woonde (“precies zoals op televisie”). En over de lange gang met kluisjes op school. Daar pakte ik mijn boek voor het volgende lesuur en wisselde informatie uit over leuke jongens, en over wie op wie was.

Vanochtend las ik de eerste dertig pagina’s van het dagboek dat ik daar bijhield. De verbazing spatte er vanaf. Er waren stinkdieren en wasbeertjes! En heel ander landschap. Er waren heuvel. Er was ruimte. Mijn gastvader had een grasmaaier waar je op kon rijden. En de mensen praatten er zoals ik alleen nog maar in films had gehoord.

Vorige week was ik in Parijs en volgende week ga ik naar Mexico, voor een maand. Ik ga op reis en wat ik het liefst mee wil nemen is die blik van toen ik zeventien was en naar Amerika ging.

HerfstEen bananenbrood dat blijft verbazen

360 gr. bloem
1 tl bakpoeder
1 tl zout
8 el boter en extre om mee in te vetten
220 gr.suiker
2 eieren
4 overrijpe bananen
80 ml. espresso met een beetje melk

Verwarm de oven voor op 180 graden en vet een broodblik in met boter.

Zeef de bloem, bakzout en het zout in een grote kom.

Mix in een anders kom de suiker en de boter door elkaar.

Voeg de eieren, de bananen en de espresso aan het boter-suiker mengsel toe en roer voorzichtig en niet te lang door elkaar.

Kieper het mengsel in het broodblik en bak tot de bovenkant goudbruin is (ongeveer een uur).

Laat vijf minuten afkoelen in het blik en daarna op een broodrekje.